Leg, liefjen, dijn handjen
F. Van der Stucken
Leg, liefjen, dijn handjen op't harte mijn;
Ach, hoors du hoe't klopt in het kamerkijn?
Daar woont er een timmerman zoo vol list,
Die timmert mij eene doodenkist.
Het klopt er bij dag en bij nacht steeds voort,
Het heeft er al lang mijne rust gestoord.
Ach haast u toch, meester timmerman,
Dat ik in vrede slapen kan.