Meienuchtend

F. van Duyse

Wat zijt gij frisch, o meiën- lucht!...

Koelende winden fluisteren...

Vogelen reppen de wiek, tot de vlucht,

de wateren preevlen, 't strandriet zucht!...

En de boomen? -... De boomen luisteren!

Vol pracht en schoonheid staan zij daar,

de kruin van 't wordend licht reeds klaar,

den knoestigen sta

half in den smoor verborgen;

en - stil, gansch tam en stille, zwijgen

èn tak èn blad, èn groene twijgen,

wen de eerste roode zonnevlam,

bloeddruipend, komt door 't lover zijgen...

Gaat zachtjes, wandelaars... voet voor voet...

Stoort Godes stilte niet... en doet

geen blad, geen enkelen stroohalm kraken.

Ziet rond u.. Blijft aanbiddend staan:

Als outers, ziet! de heuvels blaken,

oranje en blauw: de morgenddienst vangt aan...

Stil! Alles... stil...! -

Gij, dauw, zijp neder

van rank en blaân;

groengouden gerst, wieg weg en weder;

gij, vink, stijg uit een zee van graan,

en sla uw lied, van kwalen vrij en zorgen!

En ziet! van dauw omkleed, de blanke berken staan

en hooren... 't 'worden' van den morgen.