In nachtschaduw
G. Boedijn
In nachtschaduw
Verwacht ik u
Tusschen slapende rozen.
Mijn ziel zoekt waar uw luister is, -
Al paden gaan uit in duisternis,
De lucht staat sterbevrozen.
O mijn zon, rijs
Eer maan in 't ijs
Van den hemel haar gulden wak breek':
Haar licht aan de kim al flonkerschreit;
Geluiden rimplen de donkerheid
Als vallende bloesems de nachtbeek....
Hebt gij gewacht
de koele pracht,
Die de maan giet uit ijzen fiolen?
Om te komen door manesneeuw ongehoord
Langs der schaduwperken donkre boord,
Die bloeien vol nachtviolen?
De teêre Nacht
op hoogre wacht
Blaast bellen van lichte stilt';
Zij zwellen en stijgen, een glazenschrik,
Als baldakijnen maandoortrild,
En breke in een snik....
O lief beloofd,
Troost mijn moê hoofd,
Dat mijn ziel mag slapen in laten nacht:
Waar al de sterren zijn
Kunt gij niet verre zijn,
O kom, ik wacht.