Marcia funèbre
G. Boedijn
Nu gaan zij hem begraven,
den lustigen kever, Jan-Mei.
Zij dragen den dooden brave
schalmeiende door de wei.
Ha! Ha!
Jan-Mei viva!
De krekel zingt met droeve stem:
Domine! Domine! requiem
Vier blinkende roode slekken,
sluipend, gluipend, oopnen den stoet;
Vier grijsgespikkelde zwarte trekken
den statigen wagen, maar zonder moed.
Ha! Ha!
De Mei viva!
De krekel zingt met droeve stem:
Domine! Domine! requiem!
De goudvlieg bromt 'miserere',
en de krekel, in kostersdracht,
herhaalt wel duizend keeren
'miseremini', de eeuwige klacht.
Ha! Ha!
Jan-Mei viva!
De krekel zingt met droeve stem:
Domine! Domine! requiem!
Vier jeugdige kikkers dragen
het groenende floers, een olmenblad.
Vier muggen volgen gonzend den wagen
en zwieren buigend het wierookvat.
Ha! Ha!
Jan-Mei viva!
De krekel zingt met droeve stem:
Domine! Domine! requiem!
Dan komen de vinken, de musschen,
de keuntjes en klimmertjes al,
en die spelen een marsch ondertusschen,
met oorverdoovend geschal.
Ha! Ha!
Jan-Mei viva!
De krekel zingt met droeve stem:
Domine! Domine! requiem!
En wijl men den armen domplaar
zoo gauw, gauw, gauw - in den grafkuil sluit,
daar spreekt dan heer hommel, de maëstro-tromlaar,
een roerende snoerende lijkrede uit.
Ha! Ha!
De Mei viva!
Maar de krekel, met droever en droever stem:
zingt eeuwig zijn: 'Domine, requiem!'