De witte sneeuw
G. Koop
De witte sneeuw in zachten val
gestoven heinde en verre,
uit onafzienbre hemelhal,
als kleine sterre aan sterre,
Heeft stadig -dalend toegespreid
al de onbegaanbre wegen,
' k wist niet dat mij was toegezeid
zoo'n schoone winterzegen.
Als wit - besneeuwde menschen staan
de wilgen, half- gebogen
den ruwen romp, en zwaar -belaân
hun takken, onbewogen.
Zijn ' t pelgrims in gesloten pij,
van uit het Oost gekomen,
die wachtend staan, nu ' t daggetij
tot bidden roept de vromen?
Ik weet het niet, aandachtig wil
ik mijmrend blijven kijken
naar ' t sneeuwgezicht en voelen stil
den droom er yan, den rijken.