Processie

G. von Brucken Fock

Mannen en vrouwen in hun zondags- kleeren

komen van verre biddend langs de baan,

Zij roepen luid de Maagd Maria aan,

wetend dat zij een droevig lot kan keeren.

Fel heet de zon brandt maar zij zal niet deren

wie vastvertrouwend op de wonderdaån,

door wilskracht sterk, aldoor in drommen gaan,

preevlend de wijs om booze macht te weren.

Zij gaan àl voort, trekkend naar 't vrome beeld,

waar vóór in 't kerkje één enkel lichtje brandt,

makend heel d'omtrek door zijn glorie rein.

Zacht rijzend op een lieve errinn'ring

speelt, hoe 'k eens nieuwsgierig, 't mutsjen in

de hand, aansloop, om dat te zien, stout kindekijn.

Een enkel kaarsje blijft vandaag maar branden

voor 't zoet Maria-beeld dat de aandacht vraagt

van wie met zachten tred te treden waagt,

vouwend vreemd stil de roerelooze handen.

In loutren praal glimlacht de Moedermaagd

fijn-gouden schijn spelende strookt de wanden -

hoe 't duister aansluipt aan de verste randen,

lichtend zij staat die wilssterk Jezus draagt.

O moeder van den knaap, die werd groot.

man, die wist te sterven voor zijn ikheid,

wetend dat Hem God-zelf ten droeven kruisdood dreef......

Gij wit zijn lot, maar spreekt er nimmer van

en leed uw leven, U om Hem, vergetend

dragen in het hart zijn bede "Heer vergeef..."