Ik stond in duist're dromen

Georg(e) Joseph Japha

Ik stond in duist're dromen

En staarde naar haar beeld.

Toen heeft een heim'lijk leven

Dat lief gelaat omspeeld.

Een wonderlijke glimlach

Verscheen rondom haar mond

En haar betraande ogen

Verrieden een diepe wond.

Ook van mijn wangen liepen

In stromen tranen neer -

En ach, ik kan 't niet geloven:

Ik heb geen beminde meer.