Aan de maan
Georg Vierling
Jij vervult weer bos en dal
Stil met neev'lig licht,
Maakt nu eind'lijk en totaal
Mijn ziel los en licht.
Jij kijkt mild van ver en hoog
Over mijn gebied,
Als een vriend'lijk vriendenoog
Dat mijn zorgen ziet.
O, hoe echoot in mijn hart
Blijd' en droeve tijd.
'k Pendel tussen vreugd en smart
in de eenzaamheid.
Vloei maar, vloei maar, beste stroom!
Nooit meer word ik blij;
Zo vervlogen scherts en droom,
En de trouw erbij.
Toch bezat ik dat eenmaal,
Wat zó kostbaar is!
Dat men toch, al is 't een kwaal,
't Elke dag weer mist.
Ruis, rivier, het dal maar door,
Zonder rust en zonder duur,
Ruis en fluister in mijn oor
Melodieën puur,
Als je in de winternacht
't land bestormt en kwelt,
Of rond jonge knoppenpracht
In de lente zwelt.
Zalig, wie zich van de drukt'
Afsluit zonder haat,
Die een vriend aan 't harte drukt
En met hem verstaat,
Wat, voor mensen onverklaard
Ofwel niet bedacht,
Door de doolhof van het hart
Rondzwerft in de nacht.