Driekoningenlied
H. Andriessen
Weest welkom, aan den Hemel daar,
o lang verbeide sterre klaar,
bewijs van Gods bermhertig wezen,
na zooveel duizend jaar!
Neen, volkeren, nooit voordezen,
en zaagt gij schoonder licht gerezen!
Weest welkom, aan den Hemel daar,
o lang verbeide sterre klaar:
't was diep en donker al verdwenen,
nu wordt het licht, voorwaar,
nu is er hoop verschenen:
de duistere nacht vaart spoedig henen!
Weest welkom, troostend nachtgezicht,
o lang verbeide hemellicht,
den weg wijst ons der blijde steden,
waar God geboren ligt,
en wacht naar onz' gebeden:
Hij, spijts al onze onweerdigheden!
Zoo menig nacht en dag vervloog,
en eindlijk, staande hemelhoog,
blijft ge ons den verren gang bepalen,
gij prachtig lichtvertoog,
en strooit uw' gulden stralen
op Bethlehems' geruste dalen.
Dit zal wezen,
't land van Dezen,
dien gij, sterre,
wijst van verre!
Gij staat stille
waar Gods wille
wijst de stede
van den vrede!
Laat ons allen,
neêrgevallen
voor Gods voeten,
Hem begroeten!
Knielend vatten
onze schatten
en des Heeren
lof vermeêren!
Verre boven
alles loven,
luide en machtig,
hooge en krachtig,
immermeer, God den Heer!