Het lied van Isabella

H. Badings

Een meisje met een lief gezichtje

plukt olijven in de boomgaard

En de wind komt uit de torens

om haar taille te omarmen,

een taille als een wesp.

Vier ruiters komen langs

op Andalusische ponies,

gekleed in blauw en groen

met lange donkere mantels,

verlangzamen hun pas, staan stil.

Kom mee met ons, liefje, kom mee met ons.

Kom mee naar Cordoba, kom mee naar Cordoba, Cordoba,

kom mee met ons.

Het meisje met het lieve gezichtje reageert niet, plukt olijven.

Keteplok, keteplok..........plok, plok, plok...

Jonge toreros komen nu voorbij,

drie op een rij, degens opzij,

Degens van antiek zilverwerk,

kleding van brokaat met gouden arabesken.

Meisje met je zwarte lokken,

met je zachte perziken huidje,

met je intelligente ogen,

met die schattige kuiltjes in je wangen,

Kom met ons mee naar Sevilla,

waar de mooiste meisjes zijn,

waar mannen jou op de handen gaan dragen.

Het meisje met het lieve gezichtje reageert niet, plukt olijven.

De avond wordt purper,

het licht wordt diffuus.

Een jongeling komt en brengt haar vuurrode rozen

gemengd met rode papavers

en zegt: Liefste meisje komt toch,

kom met mij mee mijn liefje,

kom met mij mee mijn liefje, kom

met mij mee naar die mooie stad: Granada.

Daar zul je zijn een grande dame en ik zal jou daar eeuwig beminnen.

Kom liefste, kom liefste naar Granada!

Maar het meisje reageert niet.

Het meisje met het beeldschoon gezichtje

plukt olijven in de boomgaard

met de sterke arm van de wind

om haar taille als een wesp.