Honestum petimus usque

H. Badings

Er was een klagen

Van wind en regen

Rondom mijn muren.

Ik dorst niet wagen

Te gaan op wegen

Naar naaste buren.

Maar o verbazen!

Vlak voor mijn glazen

Hoog in een linde

Een kleine vogel

Wilde niet zwijgen.

Stormwind die blindde,

Striemende twijgen,

Nat op zijn vlogel, —

Hij zong gedurig

Luid vast en vurig

't Lied 't onberaamde

Tot ik mij schaamde.

De storm in de natuur is niet zo vreeslijk

Als de verdwaasdheid van de mens.

De wonden die zij slaat zijn ongeneeslijk.

Aan haat en nijd is nergens grens.

Ik hoor een klank

Die ik lang weet:

Een stem nog krank

Van enkel feed.

Lijdt gij dan niet? De wereld is verworden.

Zij rolt niet meer melodisch uit Gods hand.

Schone bevolkingen werden tot horden.

Tot waanzin steeg het menselijk verstand.

Het vast gegrond verband van allen samen

Spatte uit zijn voegen en er is geen wet.

Er is geen schaamte meer en geen betamen,

Geen vaste straat waar elk zijn voeten zet.

De tijd klagen wij aan,

Wij die hem moeten lijden.

Wij weten niet waarheen te gaan

Noch hoe te strijden.

Als ooit ouden zo zongen,

Dan zongen nooit jongen

Hun dit na.

Of geen bevroede

't Verscholen goede,

Vol van vertrouwen,

Op hoop van straks te bouwen

Slaan wij de chaos ga.

Vol eerbied voor 't verleden

Hopen wij in dit heden

Sterk te zijn als ons voorgeslacht.

Wij willen de eeuwen vieren,

Maar niet onszelf ontsieren

Door laffe klacht.

Wie is zo sterk dat hij de chaos temt?

Wie kan het leed zien zonder schreiende ogen?

Niet wij: maar daarom juist voelen we ons voorbestemd

Tot rustloos pogen.

Gij en wij saam, wij moeten doen,

Niet over-wijs, niet over-koen,

Naar ons vermogen.

Wie waarlijk leeft heeft in zijn hart

Ene onvernietigbare veer,

Een stille kracht die iedre weerstand tart.

Noem ons haar naam: spreek uit en leer

Wat sterker is dan ramp en smart.

Geen leer, geen naam: alleen de wil

Sterker te zijn dan leed en tijd.

Aanvaard uw taak, volvoer haar stil:

Heb lief en hoop en wees bereid.

Boven het leed, boven de tijd

Verrijst het onvervaard gemoed,

Dat weet dat iedre mensheid lijdt,

Maar draagt zijn iced en doet wat moet.

Boven de tijd, boven het leed

Heft zich de goede en schone daad,

Die klein mag zijn, want elk mens weet

Dat hij voor kleine taken staat.

Klein zij de taak, maar sterk de wil

Die haar met vaste trouw volvoert.

Wie zo doet heeft in zich zijn spil

Waaraan geen verdre chaos roert.

Als dan elkeen in eigen kring

Zo werkt, strek dan uw handen uit

En reikt ze tot in grootre ring

De bond van broederschap zich sluit.

Sluit aan tot ge als een enig yolk

De tijd weerstaat die rukt en rijt.

Ontredt aan wolk en warrelkolk

De schoonheid van een nieuwe tijd.