De zeven boeven
H. Beekhuis
Een koning en een diender,
Die gingen samen wandlen,
De diender knoopte zijn handschoen dicht,
De koning at amandlen.
Zij kwamen aan een groot groot bosch,
Daar zaten zeven boeven.
Toen zei de koning: diender, sluit
Die boeven in de schroeven.
Toen zei de diender: Sire, ik heb
Geen schroeven, maar wel touwtjes.
En de koning: doe het dáar dan meê,
Maar doe het asjeblieft gauwtjes.
Toen ging de diender naar den eersten en zei:
Wil u mij uw handen even geven?
En hij bond zijn handen met een touwtje saam;
Zoo deed hij met alle zeven.
En toen hij klaar wab zei hij nu sta
Jullie op en loopt gevallig,
Op een rijtje voor mij en den koning uit,
Tot wij komen aan de galleg.
En als wij bij de galleg zijn,
Dan worden jullie gehangen.
Want het is een schandaal, dat in 's konings land
Nog boeven zijn te vangen.
Zoo liepen zij dan op een rijtje voort,
En de diender telde hun koppen;
En de koning, die amandlen at,
Mikte naar hen met de doppen.
Maar toen zij kwamen aan de galg,
Toen braken de boeven hun banden,
En hingen den koning en den diender op, -
Tot hunlieder eeuwige schanden.