Het klokgebed

H. Bijvanck

Hoe helder klinkt

de klokkentaal

ten torren uit:

tot negenmaal

herhaalt, herhaalt

de klepel, op

den ronden boord,

zijn beêgeklop!

De landman laat

zijn' rossen staan:

naar huis zal hij,

en rusten, gaan!

maar, eer hij stap

van stede zet,

zoo bidt hij nog

zijn klokgebed.

Een engel naar

Maria kwam:

de boodschap hij

van 't Boetelam

had medebracht:

en negenmaal

begroet haar nu

de klokkentaal.

Gods eeuwig Woord

het licht verliet

des hemels, en

Maria hiet

het moeder zijn

van Hem die, aan

den boom, voor ons

heeft boete ontvaân.

De landman, na

den laatsten klop,

van bidden houdt,

van werken, op;

zijn' rossen staan

op stal weerom,

en moeder wenscht

hem willekom.