Vlucht maar, vogels

H. Bijvanck

Vlucht maar, vogels,

koud en deerlijk

is 't alomme

vlucht en vliedt,

voor de koude en

voor de mensen,

want de mens en

mint u niet.

Vlucht maar, of hij

zal u schieten,

met zijn roer, [hij

droomt daarvan]:

vlucht waar hij, met

al zijn wijsheid,

vlucht waar hij, niet

aan en kan.

Vlucht omhooge, en

komt niet neder,

eer gij streken

mensloos vindt;

vlucht, en zet uw

voet geen tweemaal

bij dat Godloos

mensenkind.

Vlucht, hij wil zijn

boosheid boeten

in uw bloed, o

vogels vrij;

vlucht, of sterven

zult gij moeten:

zulk een hertloos

mens is hij!

Gij verschaft hem,

binst uw leven

kort of lang, o

vogels kleen,

al hetgeen gij

hebt en geven

kont: en, dankbaar

is hij? Neen!

Hij bespiedt u,

kleene dierkens,

met 't moorddadig

roer in 't hand:

en... Zo groot is

hij, die over

alle dieren

kroone spant!