Daar ligt dat water

H. Bouma

Daar ligt dat water - dat schitterende water.

Zie hoe het schittert, het schitterspreekt, schittertrompettert in de lucht

in de donzige gonzige fijne satijne lucht -

dat droogzilvere opzwemmende water

in dat rondomblauwe dronkkoude dronkdiepe water,

't is een zee bleek sprekend schuim

een woordenmond in het ruim

schreeuwende door de gonswind naar het hemelruim,

dat streefwater, dat geerwater, dat wilwelwater,

het valt al voorover met zijn onhoorbaar geschater

te plonzen te lachen met 't gezicht onder water -

o het oogt hoog, pijlend hoog, het overstroomt elkaar

valt aan, valt aan, ver en ver, daar daar -

en nu ligt het weer schaterend uit te lachen

naar alle kanten, alsof ze wat zagen,

de lucht is boven wittig teer, rondom

valwolken en vèrgaande boomerijen om,

niet heel ver is het àl gestoomde nevel,

molens en boomen even, even.