Och toon ze mij niet

H. Du Mont

En toon ze mij niet

in ' t hemelverschiet,

die duizende lichten, die klaren! ·-

Uwe oog die zoo zacht

mijn wezen belacht,

die sterre slechts wil ik bestaren!

En pluk ze me niet

de roze die schiet

zoo bloeiend uit weligen gronde,

maar laat me, zoo lang,

den bloos van uw wang

bezien, en de roos van uw monde!

En spreek mij ook niet

van blijheid en lied

en vreugden, die velen benijden!

Een woord van uw mond,

eën vluchtigen stond

bij u, is mijn hoogste verblijden!

Twee oogen, vlammenvonklend,

tot in mijn ziele drongen!

twee lippen, lachjes monklend,

mijn arrem herte vongen!

Twee lippen, rood als rozen,

twee oogskens, sterreklaar

mijn hert was eertijds als bevrozen,

en nu! hoe gloeit het daar!

Gij looze tooveroogen,

gij booze minnelonken,

wat hebt ge toch bedrogen,

mijn hert, hoe liefdedronken!

Ik meende: ' t was de vrede

die in mijn boezem viel!

Ach! alle ruste vlucht mij heden,

en ' t stormt mij in de ziel!

Wat ook mijn herte poge,

waar ik mij wende of keer,

steeds volgen mij die oogen

en kwetsen mij zoo zeer!

In helledronkre nachten

daar flikkren ze op mijn spond!

En, ofze met mijn smerte lachten,

daarnevens bloost die mond!

Ik kan ze niet verjagen,

al jagen zij mijn rust

en doen mijn boezem slagen

van vreemden drang en lust!

En, al doe ' k niet dan zuchten

zoolang ik hen zal zien,

' k wou toch die lippen niet zien vluchten

noch bei die sterren vlien!...