Driehonderd waren wij...
H. Henkemans
Driehonderd waren wij, en bleven wij,
volle driehonderd, nu wereldverstrooid,
van jongsten naam en toenaam, volk en taal
onkenbaar vreemden, die elkander vinden
in dit land van schijnheilge ronselaars,
waar allen met hun andre looze leuzen
partijmoord stichten en de jonkheid deelen,
blij en bevredigd als om een stuk brood
een kind zijn lijf en ziel aan hen verkoopt
door valschverlogen lippen; waar de drift,
de schoonheid van elk gaaf vernieuwd geslacht,
de blanke lijfsbloei en het oogenvuur
van heilgen durf en offervaardigheid,
gebonden aan den staak der pijniging,
met overleg gemarteld en doorwond,
wordt leêggebloed of onheelbaar verminkt
tot levensnood en doodsvrees... O en dan -
uit diepste etinnering gepijnde honing! -
in den doorbroken klank der stugge spraak
in staamlende verrukking ons bezinnen
op onze eenparige afspraak en gelofte
van nooit den glans van Hellas te overleven
in den voornacht van onzen eersten dood,
van Chaironeia, waar wij allen bleven
opnieuw gezaaid in den Boiootschen grond.
Telkens weêr stijgen we uit het hart der aard
rijp en gereed over de duistre wereld
samen te breken als een loopend vuur,
kortstondige in zichzelf verteerde brand
van mannenmoed en schoonheid, op den wenk,
den eersten oproep onzer vaderen
Epameinoondas en Pelopidas.