Een dissonant

H. Mulder

Op de hoogvlakte en in de nacht,

Waar de wind waait en sterren schijnen,

Heeft mij het steile pad gebracht

Uit huizen die omlaag verdwijnen,

En de andre helling is nog ver.

Ik daal eerst met de laatste ster.

Mijn voeten vrezen struik noch steen.

Ik ga en denk en ben alleen.

Ben ik alleen? o Eenzaamheid,

Die voller dan het daglicht zijt,

Ik heb nog nooit zo wijd en zijd

Alles wat is geheel bezeten,

Elk hart mij zo nabij geweten.

De donkere aard, de heldre lucht,

De ruimte zonder een gerucht

Omvatten alles wat ik denk

En voel en denkende verschenk.

De wind steekt op. Het is een storm.

Het bleke pad verliest zijn vorm,

Het sneeuwt. Ik slibbervoet en struikel.

Ik daal. Ik stoot mij tegen rotsen.

Ik hoor omlaag de bergbeek klotsen.

Mijn voet ontgaat me. Ik val. Ik duikel.

Dit is het eind. Men vindt me eerst later,

Gekneusd, gebroken, in het water.