Zonnige septembermorgen

H. Mulder

De zomer en de late rozen

zijn zacht ontblaadrend uitgebloeid;

het bloedend vuur, het heete blozen

tot oud octobergoud vergloeid.

de groene vlammen van de boomen

- bestorven bruin en wingerdrood -

zijn van hun donkre drift benomen

o dag, o droom van blauw en goud!

het licht hangt in de honigraten

der vensters als een vochtig vlies

en morgenzon in de gelaten

waarin bij nacht de droefheid wies.

o zijden zonlicht, zacht kristal

hoe onbeschrijflijk mild en edel

verzilvert gij het smal ravijn

der huizen en de ranke schreden

der meisjes langs den waterval

en langs de gracht en op de bruggen

die teer gebogen ruggen

welven over het fulpen waterdal;

de kindren vangen met hun handen

de zachte speren; en hun mond

vangt het geluk met open tanden

van dauw en vochte morgenstond.

o witte wel, o waterval

omhuiverd door die vroege tent

van hemelsblauw, o firmament

dat koel en diep doorschijnend is;

genees mijn hart dat in den zomer

zoo ruw en rood gehavend werd;

genees het in het klare stroomen

voordat het droef en avond wordt.