Serenade aan Mathilde

H. Nolthenius

De regen dringt door deur en ruiten

En schept de straten tot een meer;

Geen bergen kunnen 't water stuiten,

Het golft lang rots en ruigte neer;

En de Oerte schuimt en schuurt, de wilde,

En schuift zijn baren langs zijn boord...

Luik de oogen! Sluimer in, Mathilde,

Want de Oerte zingt ééntonig voort. -

Ik zing en mijn gedachten zweven

Om u als luwtjes om de roos:

Ik voel de liefde in 't harte leven

En voel mijn harte liefdeloos.

O, donkre nacht! Mij zijt ge een milde,

Uw duisternis alleen bekoort.

Luik de oogen! Sluimer in, Mathilde,

Want de Oerte zingt ééntonig voort. -

Reeds zijt ge door het woord gebonden,

Het woord der trouw, dat zalig maakt;

Reeds hebt gij het geluk gevonden,

Dat samen met de liefde ontwaakt.

Ik ben gelukkiger dan 'k wilde,

Omdat ú dat geluk behoort:

Luik de oogen! Sluimer in, Mathilde,

Want de Oerte zingt ééntonig voort! -