Oog in Oog
H. van Heukelom-van den Brandeler
Zal ik nooit met onbetogen oogen
Het geluk zien in der dagen licht?
Zaalger tranen teêr verwischte misten
Slui'ren hun verwaasd gezicht...
Lief, toch keek ik zonder schroom in drooomen
Door de paarlen poorten in Gods stad,
Minde uit der millioenen blije reien
Klaarderoogen de oogen die 'k aanbad.
Maar als hier in dags azuren uren
Naakt uw ziel ten spiegel stijgt,
Floersen zilte neevlen de oogebogen
Van de ziel die naar u overneigt...
Zal een man met wakkere oogen mogen
God zien vóor zijn aardschen dood? --
Wat onze oogen nog door waden raden,
Is reeds hier der zielen eenig brood!