Manestralen

H. van Nieuwenhoven

De volle maan rijst boven ' t blauwzwart woud,

De zilvren speelbal van een reuzenkind,

Bij ' t Auistrend ruischen van den Juniwind,

Die al de blaadren toe- en openvouwt.

Waar nu de Nacht een open venster vindt,

Daar sluipt hij binnen, ongezien en stout,

Tot hij gevangen u in de armen houdt

En zin en ziel met zilvren droomen bindt.

Zacht klopt de klimroos aan mijn vensterruit....

Vlug spring ik op en open vliegt het raam.

O lieve Nacht, zweef vrij nu in en uit.

Weef windgeruisch met bloemenadem saam

En manestraal met nachtegaalgefluit,

En heel mijn ziel zal vol zijn van uw naam.