Toen Jesuken speelde
H. Van Schoor
Toen Jesuken speelde in de schaduw van ' t huis,
toen woei door de blâren melodisch geruisch,
En toen hij in droomen langs bloei-struiken trad,
was goudglans van zon op het effene pad,
En toen hij nadenkend het hoofd boog terzij,
was de opene hemel hem dichter nabij.
En toen hij welluidend een wonderwoord sprak,
toen zong daar een vogel op rustigen tak.
Het lied van de luchten, dat was hem een schat,
en bloei van de boomen en glans op het pad,
En ' t denken en ' t weten van ' t woord, dat hij sprak,
en ' t lied van den vogel op windstillen tak,
Maar diep in zijn droom, daar zag hij de kroon
van bloeddroppen rood van Gods eenigen Zoon....
En Jezus, de Koning der Koningen, schreed
den hof door, en wit was zijn blinkende kleed.