De groote Maaiers

H. Waelput

'k Ben blij van geest: ik slaafde langen tijd,

Om aan 't gezin een stil bestaan te schenken.

Nu krijg ik 't loon van burgerdeugd en vlijt,

En 'k mag gerust aan zoete welvaart denken.

Ja! veel belooft mij de oogst; geelrijp is 't graan…

Welaan, gemaaid! het kan geen dag meer blijven…

Maar hoort! daar roept een stem: “laat alles staan!”

De groote maaiers zijn aan 't kijven!

– Laat alles staan; – maar 'k ben voor de arbeid klaar,

En niemand nu kan 't me op het veld vervangen…

“De trommel slaat; het land is in gevaar,

Reeds dreunt de lucht bij schelle krijgsgezangen”…

– Zeer wel; maar 'k ben de steun van vrouw en kind;

't Is hun verderf, als ik hen moet verlaten…

“Zwijg, vader, zwijg: gehoorzaam… en gezwind!

De groote maaiers tromlen om soldaten.”

En meê wordt hij gesleurd. De reuk van 't kruit

Bedwelmt hem ras! 't Gevecht doet ook zijn harte branden,

De stem des bloeds sterft weg in 't krijgsgeluid;

Hij rukt een vaan uit 's vijands kloeke handen,

En plant ze roemvol op de vesting neêr.

t'Huis sterft zijn vrouw, 't graan ligt vertreden,

Maar op zijn vaderborst blinkt 't kruis van eer –

De groote maaiers zijn tevreden!

De krijger keert naar huis. Zijn erf en goed,

Zijn vrouw en kind, eilaas! 't is al verslonden!

Langs alle wegen drijft er menschenbloed,

En de aarde drinkt dit vloeisel van de wonden.

Een doodsche stilte volgt den naren strijd:

't Is wee in 't land; 't is rouw in veel gezinnen!

Nu wordt de grond verdeeld – bij vredestijd:

Des grooten maaiers oogst is binnen!