Ghasel

H. Zagwijn

In 't welkend loover ruischt een lied voor mij.

Geen lente lacht meer in 't verschiet voor mij.

O najaarswind, ik heb uw lied verstaan:

De blauwe bloem, die 'k zocht, bloeit niet voor mij.

Hoe teeder was - nog is 't niet lang geleên -

de hand, die nu mij alsem biedt, voor mij!

De zomer week, de vogel vlood, de bloem viel af,

en de arm, waarop ik steunde, is riet voor mij.

O wind, geef mij één zucht! O regenvlaag,

geef mij één traan! Geen andre vliet voor mij.