Het winterspook

H. Zagwijn

De deuren van den Oosten gaan,

nog nauwlijks, even open

en toe, gelijk, den laatsten keer,

des veegen wimpers doen,

die henengaat in 't eeuwige. Ach,

't is avond nog eer 't noen

kan worden! Is geen dageraad,

geen dag ons meer te hopen?

Gij ook, voor eeuwig, gaat gij, oog

des hemels, nu verdwijnen?

Gaat 't duister worden, altijd voort,

en donker, overal?

Gaan sterrelicht en manelicht,

in 't levenlooze dal,

daar 't koud en altijd winter is,

alleene nu nog schijnen?

Een graf nu, och, een wintergraf

is alles weêr bedegen;

gedolven in dat graf is mij

de jonkheid en de jeugd:

wie redt er, ach, wie helpt er, uit

den nood ons? Hoe de vreugd

van vroeger, die begraven ligt,

het graf weêr uitgekregen?

'k En zie bijna geen' wegen meer:

de koude voert mij henen,

de velden uit, de steê weêr in;

nog donkerder is 't daar:

de zware dompen varen mij,

als of het water waar',

dat duisternisse en vuilnis voert,

onhoorbaar vóór de schenen.

Ze ontsteken licht. Een damp, alom,

die, stinkende, onder de aarde

geboren is, nu dansen gaat,

en spotten met de zon,

die 's Winters onmeêdoogendheid

niet langer baas en kon

en henenging; die, krachteloos,

voor goed misschien, ontaardde!

Afgrijslijkheid! Het winterspook

zit overal te wachten:

'k gevoel 't, alwaar ik henenwille,

of zoeke zijn gegaap

te ontsnappen; 't komt mij tegen, tot

in huis, en, daar ik slaap,

daar steelt het mij de ruste van

mijn' slapelooze nachten!

Dat 't Joel weêrom, dat 't Kerstdag zij,

dat 't ophoude, al dat zinken,

dat sterven, dat verloren gaan

des levens! - Herders, gaat

en peilt den diepen Oosten: ziet

gij dag noch dageraad,...

nog 't nieuw geboren Zonnelicht,

te Bethlehem, niet blinken?