Leeuwerik

H. Zagwijn

Blijft gij nooit één blanke uchtend,

Leeuwrik, zingen hier beneên,

Die uw nachtlijk nest ontvluchtend

Door de zilvren neevlen heen

Vleuglings vindt de gouden wegen

Waar uw aadmen juichen wordt,

Tot uw zang in vuren regen

Naar de koele vore stort;

Zingt gij nooit de rode smarten

Van de duistre aardenacht,

Wordt het bloeden onzer harten

Wel gestelpt, maar nooit verklacht?...

In het ijle blauw verloren

Volgt mijn oog niet meer uw vlucht,

Maar uw antwoord dwaast mijn oren

Met zijn zaligend gerucht:

Steeds, uit vreugd of smart gerezen,

Heeft de ziel uw vreugd verstaan,

En tot uwe vreugd genezen,

Ons gemeen geheim geraên:

Alle smart omhooggedragen

Meerdert vreugdes gouden schat:

Slechts de vleuglen die ons schragen,

Zijn van aardes tranen nat.