Paaschen

H. Zagwijn

Paaschen, Paaschen,

luide klinke

nu de slag van

lerke en vinke,

nu de stem van

mensche en dier!

Paaschen, Paaschen,

wijdt het vier,

wijdt het licht en

pint de lampen,

[laat den verschen

wierook dampen]:

Hallelujah,

't jok is af

van de dood en

van het graf!

Paaschen, Paaschen,

opgestanden,

is de God, dien

booze handen

hadden aan het

kruis gedaan:

Paaschen, Paaschen,

vrij voortaan,

heeft Hij hout en

steen en ijzer

overwonnen,

die, Verrijzer,

Hallelujah,

één uit al,

leeft en immer

leven zal!

Paaschen, Paaschen,

dwaze mannen

dachten Hem in 't

graf te spannen,

met Pilatus'

zegelmerk:

Paaschen, Paaschen,

ijdel werk,

ijdel waken:

God almachtig

is verrezen,

eigenkrachtig,

Hallelujah,

dóór den steen,

eer de zonne in

't Oosten scheen.

Paaschen, Paaschen,

luide klinke

nu de taal van

lerke en vinke,

nu de taal van

mensche en dier!

Paaschen, Paaschen,

wijdt het vier,

wijdt het licht en

spijst de lampen,

laat den blauwen

wierook dampen:

Hallelujah,

God is groot:

Overwinnaar

van de dood!