Avondzang

I. Fuerison

De gouden zonneluister,

Die nog aan ' t westen blinkt,

Het plechtig avondduister,

Dat over de aarde zinkt,

De duistre, groene lanen,

Het donzig grasfluweel,

Waarop de dauw zijn tranen

Geschreid heeft; -- ' t zacht gekweel

Der lieve nachtegalen,

Dat opstijgt uit ' t geboomt,

En klinkt door veld en dalen

Waar alles rust en droomt, --

Dat alles komt ons fluistren:

« ' t Is ' t zalig uur der min! »

Mijn liefste en ik, we luistren

En gaan de velden in.