Jezus' slapen gaan

J. Anderson

Als Jesus zou slapen, 's avonds spâ

volgden hem steeds elf engelen na,

die hielden heel hoog- en lichtten hem voor —

veel sterren, zilverzacht van gloor.

En als hij nu in zijn bedje lag,

traden zij nader, vol heilig ontzag,

en namen elkaar heel stil bij de hand

ten reidans om zijn ledikant,

en zongen liedekens, wonderzacht,

gelijk nachtegalen bij Lentenacht.

Vielen dan ' s kindjes oogelijns dicht,

dan doofden zij gauw hun sterrenlicht,

en ieder koos zich, zonder geluid,

voor heel den nacht een plekjen uit.

Twee zetten zich, groen als de zee die deint,

aan zijn hoofd- en aan zijn voeteneind;

rechts en links, op de spondeplank,

zaten twee andre, als sneeuw zoo blank.

Twee deden niets dan het kindje dekken;

die waren azuur als de zomernacht.

Twee moesten het, kussend des morgens wekken,

die waren gedost in morgenpracht.

Twee hielden hun opengevouwen wieken

als een levenden hemel over het wicht,

hun kleed geleek op het morgenkrieken

en van hun aanzicht straalde licht.

En ieder op zijn hoofdje droeg

een vonkelend rooden rozenhoed.

Een enkele stond ter zij alléén,

en waagde het niet vooruit de treên,

en zag met oogen vol getraan

van ver het slapend Rindjen aan:

Die droeg op 't hoofd een doornenhoed.

zijn handen en voeten dropen van bloed...