De kriekroode zunne

J. Andriessen

De kriekroode zunne

zinkt zachtjes in 't nest,

dat God heur gebouwd heeft,

in 't avondgewest,

van balken en boomen

en banken, zad blauw;

van doomen en dampen

en dompen, peersch grauw.

Daar zinkt ze, gestadig

al schranken, naartoe;

daar gaat ze, de zunne

gaan slapen: ze is moe.

Heure oogen, die laaiden

met zoo veel geweld,

zijn dood van den vaak nu,

en nedergeveld.

Heur haar is gewompeld;

heur' kroone en heur staf,

heur' beste juweelen

zijn altemaal af.

Zij nadert zoo nipte,

dat 't niemand en ziet:

ze schuift de gordijne, en...

ze ligt in heur sliet.

De nacht komt ze dekken

en duffelen,... en zet

het maantje, om te waken,

rechtover heur bed.

Goên avond, o zonne;

goên nacht: uw gestraal,

God zegene en beware 't,

en ons altemaal!