Het zonnelicht is neergedaald

J. Andriessen

Het zonnelicht is neergedaald

en 't gaat bij andere lieden,

verwacht en welkom-weer onthaald,

den dag hun doen geschieden.

Het morgent daar, het avondt hier,

en wonderschoone verven

zie 'k wentelen in het westervier,

en stille, stille sterven.

't Was rood eerst, helder peersch weldra;

en, blauw- en blauwerwendig,

door al de hemelen heerscht daarna

één duisterzijn bestendig.

Noch nacht en is 't noch dag: het vier

der zonne is schaars geweken,

of, helpzaam wordt de keerse hier,

daar de avondzonne ontsteken.

Het pinkoogt, of 't een meisken waar'

dat weenen wilt, van verre,

nu zuid, nu noord, nu hier, nu daar

een' nieuwgeboren sterre.

Dan, waar ik sta, zie 'k, om end om,

Gods legerwachten waken;

en, in dien eindloos wijden kom,

al 's hemels diepten blaken.

Hoe bang ben ik! 'k En durf bijkans

mijne oogen niet betrouwen,

o Heere, op uwen sterrenglans:

hoe zal ik U aanschouwen?