's Avonds zie 'k de sterren geren

J. Andriessen

's Avonds zie 'k de sterren geren,

die daar zitten, hooge en fijn,

als ik, moe van 't lastig weren

onder 's arbeids leed en pijn,

eenen oogslag naar omhooge

buiten 's werelds enden sla,

en mij eens den hemel tooge

nog, aleer ik slapen ga.

Al de lieden rusten neerstig:

hier en daar nog een die tiert,

en de blijdschap van het geerstig

hommelzap te late viert.

Duister is 't alom en doovig,

niet en zegt mij de aarde meer:

nu is 't dat ik mij geloovig

opwaards naar den hemel keer.

Vaart mij wel dan, slaapt in vreden,

g' hebt mij lang genoeg geplaagd,

wereld, met uw' lastigheden:

neen, ge 'n zult, eer 't morgen daagt,

mij geen banden meer doen dragen;

vrij eens wilt het herte mijn

rijdend op den hemelwagen,

rustend in de sterren zijn!