De keizer
J. Bonset
Hoog is gezeten op zijn gouden troon
De Zoon des Hemels vonklend van juweelen.
De mandarijnen hurken om hem heen.
Hij glanst gelijk een zon omringd van sterren.
De mandarijnen spreken wijze woorden,
Met wijzen mond en wijsgeheven hand.
De aandacht des keizers is door 't open venster
Verstrooid: daar rust de keizerin, de schoone,
In 't paviljoen van melkwit porcelein.
Gelijk een bloesem, wonderbaar ontloken,
In teêr gebladert, rust zij daar en wacht.
Haar jeugdige edelvrouwen wachten mee.
Zij vindt dat haar geliefde al veel te lang toeft
Ginds, in den raad. Vol ongeduld en smachten,
Beweegt zij zacht haar waaier heen en weer.
Daar treft een vleug van zoete bloemenreuken
Met donzen vleugelslag 't gelaat des keizers.
Nu voelt zijn onrust nog alleen maar dit:
Mijn schoone gade zendt mij met haar waaier
Den zoeten geur der lippen, die ik liefheb.
Vlug rijst hij óp, juweelen-overglansd
En richt zijn schreden naar het paviljoen
Der keizerin. De mandarijnen staren
Elkander aan, verwonderd en verbluft.