De omkransde boot
J. Bonset
Op blauwe golven een omkransde boot.
Aan boord weerklinkt gezang. De mooiste meisjes,
Met blanke leden en met donkre haren,
Liggen op zijden kussens in de boot,
Staan bij de mast en houde' elkaar omstrengeld
En zingen wonderbaar van dood en liefde.
En zalig drijft de omkransde boot den stroom af,
Door zonnelicht en blauwen vollemaannacht,
Drijft altoos verder en de meisjes zingen
Van dood en liefde. - En de lotosbloeme
Hooren 't gezang en richten stil zich op
En in de boomen luistren bonte vogels.
De meisjesoogen vullen zich met weemoed
En weemoed is er in den wind, die zoet
De meisjes streelt en geur ontlokt de haren.
En weemoed vonkelt in het sterrenlicht.
De meisjes zingen en haar oogen stralen,
Als zagen zij den hemel open, glimlach
Omzweeft haar lippen en zij drijven verder.
En zingend, zingend zullen zij verglijden
Diep in de zee, daar zullen zij verzinken,
Met blanke leden en met donkre haren.
En in den dood nog zal er van haar lippen
Gezang weerklinken vol van liefde, liefde -
Geen klank van klacht zal vloeien van haar mond.