Pulchra ut luna

J. De Meutter

Quae est ista quae progreditur quasi aurora

consurgens,

Pulchra ut luna,

Electa ut sol,

Terribilis ut castrorum acies ordinata?

Wie is 't die, lijk een dageraad,

klaarblinkende opgestaan,

zoo schoon daar aan den Hemel staat

en schettert als de maan?

De zonne, die heur brandend goud

rondom Haar, als een mantel, voudt,

weêrbliksemt, vol van schriklijkheid:

't is als een heir ten strijd bereid!

Quasi aurora consurgens

Maria, Maged onbevlekt,

nog schoonder duizendmaal,

als 't daglicht dat den morgen wekt,

vol perels en coraal!

Als 't menschdom diepe in zonden lag

en lang verlangd had naar den dag,

daar kwam hij, met den Engel zoet,

die zei: Maria, weest gegroet!

Pulchra ut luna

Wanneer de zonne in 't westen zinkt

en zeewaards henen gaat,

't is zij die op de mane blinkt,

en spegelt heur gelaat.

Zoo is 't dat Gods genade viel

op d'Hemelblanke maagdenziel,

en dat Maria's overvloed

ons' duistre herten blinken doet.

Electa ut sol

Maar als de zonne door den trans

heur gouden stralen schiet,

dan smelt de bleeke sterrenglans

en 't manelicht tot niet.

Maria draagt om 't maagdenhoofd

een strale die de zonne dooft,

en al dat heilig is en schoon,

het blinkt in heur twaalfsterrenkroon.

Terribilis ut castrorum acies ordinata

Rijst op dan, Maagdenzonne fel,

en schiet uw bliksemvier

op 't draakgebroedsel dat, uit d'hel,

herhaalt zijn snoo getier;

dat, Onbevlekte, uw Naam benijdt,

dien gansch het Christen volk belijdt;

vertreedt, vertrapt het vinnig straal

dier ketterslangen al te maal!