Bij maanlicht

J. Kok

Het molentje rept zich en reit in den wind

En kaarst om zijn asje gezwind

De ruiten van 't huisje zij glinsteren rood.

Van 't purp'ren rood van de zonne die vlood.

En achter 't huisje, daar praalt de maan

in helronde schoonheid z'is overbelaan

met mildlichten glans voor de rest van de nacht,

Zij schreit van den hemel zoo zacht;

Want jammer beschijnt zij en menschen geween.

Stil stijgt tot haar aanzicht gezucht en gesteen

En al de klachten van d'aarde die zwoegt

verneemt zij, en schreit dan zoo stil verg'noegd.

De weemoed der maan is een lach en een traan

Van gloeilooze stralen geregend terneer,

Zij kan om d'ellende der aard' niet vergaan.

Doch blikt op haar lijden zoo eindeloos teer.