O Mensch, wat zijt gij groot en klein
J. Masséus
o Mensch, wat zijt gij groot en kleen,
die, eerst de sterrenwegen
doorwandelend, hebt ingezien
en starend nageslegen;
die, laatst van al, te late eilaas,
de klanken zoekt te duiden
die, blomgelijk, uw hert, uw ziel
en uwen mond ontluiden!