De blaren vallen, blad na blad
J. Moorkens
De blaren vallen, blad na blad,
die allen sterven moeten,
zij dwarlen langs het herfstig pad
in huiverende stoeten.
Zij zwieren rond, omhoog, omlaag,
zij rusten en zij vluchten,
wild voortgedreven door een vlaag,
de laan is vol geruchten.
De blaren goud, de blaren geel,
de herfstwind doet ze vallen,
zij zinken na wat wild gespeel,
zij zinken, zinken, allen.