Goevrijdag

J. Ras

's Goevrijdags ratel, rauwgetand,

dwersdóór de kerke relt,

terwijl het volk, stilzwijgende, om

den autaar neêrgeveld,

den God aanbidt, dien Golgotha

zag sterven, naakt en bloot,

's goevrijdags, op den schandeboom,

de schandelijkste dood.

De ratel relt de kerke dóór,

noch koper nu noch brons

en hoore ik, ook den orgel niet:

men bidt den 'Vader ons.'

En al mijn bloed verkruipt, wanneer

ik, spraakloos, in den choor,

het kraken van de bergen... neen,

den houten ratel hoor.

Het autaarkleed is afgedaan,

het wierookvat gebluscht,

de lichten al gestorven, en

de ratel zelve rust;

't houdt alles op, de zonne schijnt

te vragen, ongetroost,

of morgen zij nog heffen zal

heur aanzichte, in den oost.

Als vader sterft, de kinderen

vergâren om de spond

des stervenden, en knielen daar,

en bidden, in den grond:

zoo knielen, in de kerken, in

de huizen nu, vereend,

de menschen, en, in stilte, wordt

gebeden en geweend.

't Is dood nu al: God zelve stierf

de dood! Wie dierve er, ach,

schier leven, in de droefheid van

dien al te droeven dag?

Geen woord en zij gesproken meer:

ons Heere hangt en bloedt,

gekropen zij ten kruise nu,

gebiddaagd en geboet!