De goede herder

J. Ryelandt

Tenden uit- en omgezweefd,

landziek, heel alleen gelaten,

zegt, wat zal mij nu nog baten,

baat ge gij niet, die daar leeft,

God, en goed zijt, allerwegen,

vader, herder, al genegen,

dat uw' hand geschapen heeft.

Gij verstaat mij ongesproken:

neêrgeduwd, onafgebroken

bidde ik om bermhertigheid,

u, die alles zoent en zegent,

liefde, en immer liefde regent

op die langzaam lijdt en schreit,

biddende, en uw' hulpe ontbeidt.

Heere, help mij! Heere, spoedig,

die mij zelven onbekwaam

ben te helpen; in uw' naam

hope ik nog en bidde, ootmoedig:

houdt mij vaste, helpt mij gaan;

liggende in de doornen bloedig,

spoedig, Heere, en trekt mij aan!

Volgen wille ik, herder zoete,

volgen u, zoo verre ik kan;

blijve, och arme, ik liggen, dan,

eer ik al mijn boosheid boete,

henenzinke en sterven moete,

Heere, Heere, in stervensnood,

valle uw schaapke in uwen schoot!

Eeuwig vrij van ongeval,

laat, zijn lijen al uitgeleden,

laat het bij u binnentreden,

bindt het vaste in uwen stal;

laat het, daarin opgesloten,

vrij zijn van de wulventoten:

Heere, wilt dat 't weze, en 't zal!