Smeeklied

J. Ryelandt

Milde en machtig mededoogen,

keert uwe onbermhertige oogen

toch niet af

van mijn' nietheid, die, benepen,

voelt de dood haar henenslepen

naar het graf!

't Is bestemd en 't staat geschreven:

sterven eens moet alle leven;

't wil en 't zal

dat daar duurt of schijnt te duren,

twintig jaar of twintig uren,

sterven al!

Groote God, die leeft onendig,

steunt mij, als ik sterve, ellendig;

en Uw woord,

dat mij heeft der dood gegeven,

helpe mij om her te leven

eeuwig voort!

Nu is 't duister al en droevig,

lastig, leedzaam, ongedoevig,

waar ik ga;

waar ik zoeke of waar ik dale,

uitgeweerd gij, heldere strale

van 't hierna!

Gij die nu zijt, waart voordezen,

eeuwig zijn zult; God, verrezen

uit het graf,

kampt met mij den kamp, o felle

kamper, dwers door dood en helle,

nijdig af!

Vrijdt mijn arme ziele, o vrome

vechter; dat zij te Uwaard kome,

zonder scha;

dat ze, in Uwen schoot geborgen,

na dees bittere wereldzorgen,

rusten ga!

Rusten ga en 't licht aanschouwen,

rusten ga en vrede bouwen

in dat land,

dat geene ooge ooit zien en mochte,

daar geene oore ooit aan en rochte,

geen verstand!