De leeuw

J. Schmier

Brrrrrrh!!! De Leeuw

Een leeuw is eigentlijk iemand,

Die bang is voor niemand,

Zijne oogen en zijn neus

Zijn grooter dan die van een reus;

En zijn muil

Is een ware moordkuil;

Met zijn klaauw

Is een leeuw geweldig gaauw;

Met zij staart

Gooit hij een schutter van zijn paard;

En met zijn tanden

Durft hij de heele schutterij wel aanranden.

O zo!

Enfin, hij is altijd het verscheurendste beest

Onder de dieren geweest

Onlangs heeft hij immers in Londen

Nog een juffrouw verslonden;

Doch, nu ik mij bezin,

Was hij het niet: het was de leeuwin.

De leeuw wordt viervoetig geboren:

Twee van achteren en twee van voren;

Of, volgens anderen, twee aan zijn rechterhand:

En de andere twee aan deze kant.

De leeuw zijn gemalin

Is mevrouw de leeuwin,

En de jongelui, zoolang zij zich met de borst behelpen,

Noemt men gewoonlijk: welpen.

Gouden leeuwen en leeuwen van hout,

Mitsgaders de Hollandsche, worden heel oud;

Men ziet ze nog wel op uithangborden en schilden, doch zeldzaam in 't woud.

Komt ooit de ware leeuw rechtstreeks op u aan,

Dan is 't beste om maar regelrecht uit den weg te gaan.

Doch niet als hij opgezet of dood is,

Daar er in dat geval volstrekt geen nood is.