O Landeken zijt maar klein
J. Tinel
In Vlanderen blinkt de Hemel blauw,
gelijk op alle stranden;
in Vlanderen straalt de morgendauw,
gelijk in andere landen.
In Vlanderen slaat de beek heur lied,
al zwemt er geen Naiaden;
en zuutjes ruischt de wind in 't riet,
ofschoon we Eool versmaden.
De Maan bij ons is geen Godin,
maar 't beeld der zuivere Maged,
de Moeder van de zoete Min,
wier 't vlaamsche hert behaget.
Lijk elders riekt de roos hier goed,
hier klinkt der vogelen tale,
en Philomele zingt er zoet,
al heet zij Nachtegale.
De jonge wiedster galmt heur lied,
van 's morgens vroeg aan 't polken,
en ze antwoordt dien ze niet en ziet:
den leeuwerke in de wolken.
Den Vlaming, onder 't dak van strooi,
en valt geen wijn te drinken,
toch ziet hij, rond zijn veugelkooi,
zijn rijpe druiven blinken.
En haalt men uit die druive alhier
geen wijn, voor valsche Goden,
in Vlanderen pinkelt 't vlaamsche bier,
uit edel zaad gezoden.
Het bietje brengt, uit veld en wee,
den honing in de buiken,
en de olie, 't zeem, het was, de mee:
't groeit in onz' koolzastruiken.
o Landeken! o zijt maar kleen:
niet meerder zou 'k u geren;
en 'k zie u - zulk en is er géén -
en 'k zie u toch zoo geren!
Mijn Vlanderen! dat en moogt gij, noch
en zult gij nooit veranderen,
onleugenachtig heet gij nog:
'het Katholike Vlanderen!'
En nievers, in géén ander land,
hoe vruchtbaar 't moge wezen,
kan Jesus, in zijn blinkend hand,
meer Hemelblomkes lezen.
o Landeke! ja zijt maar kleen;
niet grooter zou 'k u geren;
en 'k zie u - en 't en is maar één -
en 'k zie u toch zoo geren!
Mijn Vlanderen spreekt een eigen taal;
God gaf elk land de zijne,
en, laat ze rijk zijn, laat ze kaal:
ze is vlaamsch, en ze is de mijne!
Ze is vlaamsch, en die zijn vlaamsch veracht,
de taal van dien verdwijne,
verdwijn' hem, met de sprekenskracht:
ze is vlaamsch, en ze is de mijne!
Staat op dan! 't Vrije vlaamsche lied!
geen valsche dichtpatroonen,
geen vreemde, oneigen klanken: niet
als Christen-Vlaamsche toonen!