Zoo net als nieuwe snee

J. Tinel

Zoo net als nieuwe sneê,

zoo zuiver als eene ooge;

gelijk de sterren staan

en blinken, daar omhooge;

zoo is, o Moedermaagd,

uw' schoonheid, al en heel,

die in onze oude schuld

noch dere en hadt noch deel.

Gelukkig menschdom, in

den eersten mensch geschonden,

dat uw geboorterecht

in haar hebt weêrgevonden,

die, door de hand van God

uit Adam voorbereid,

de zuivere zetel wierd

van Zijne aanbidlijkheid.

Zij dankend duizendmaal

uw' zoete naam geprezen,

o gij, die schepsel mocht

en 's Scheppers moeder wezen;

o gij, die onzen stam,

zoo deerlijk neergeveld,

gerecht, geridderd hebt

en in zijne eer' hersteld!

o Hemelkoningin,

des werelds groote Vrouwe,

wat ben ik, u gesteld

ter zijden? Hoe betrouwe

mijne oogen ik op u,

die als de zonne zijt,

één' loutere zuiverheid,

die mij in 't donker smijt!

En, kander ievers iets

hun lief zijn, hun behagen

die u ten dienste staan;

die in 't geheugen dragen

al uw' beminlijkheên?

Maria, vrank en vrij,

die de alderschoonste zijt,

aanveerdt mijn herte, gij!

Bewaart het zonder last,

bewaart het zonder leugen,

en laat mij, 't gene alleen

alsnu Gods Engelen meugen,

met die, door u geleid,

den hoogen throon bijstaan,

u hopen eeuwig eens,

daar God is, ga te slaan.

Magnificat zal ook

dan, uit mijn herte ontsprongen,

weêrgalmen, zoo 't weleer

uw' reine lippen zongen.

Magnificat! Gegroet

Maria weest; en 't woord

uws lofzangs, love 't God,

zoo nu, zoo immer voort!