Des visschers dochtertjen

J. van Bree

Zij zit op 't barre zeestrand neer

Van 't morgenrood tot d'avondstond;

Haar oog ziet wild en schichtig rond

Langs 't witte schuim van't woelend meir

En angstig roept haar bleeke mond

"Mijn vader, mijn vader, mijn vader!"

De wind giert woester langs het meir

En zweept der golven digt gedrang

Met hangend haar en doodsche wang

Zit zij op 't barre zeestrand neer

"Wat toeft ge lang, wat toeft ge lang

Wat toeft ge lang, wat toeft ge lang

Mijn vader, mijn vader, mijn vader"

De Maan stijgt op en kleurt het meir

Met zilvren tint en grillig licht:

"Is er geen boot daar in 't gezigt?"

Des Visschers boot keert nimmer weer

"Gij toeft vergeefs, rampzalig wicht!

Gij toeft vergeefs, rampzalig wicht!

Uw vader, uw vader, uw vader!"

Zij zit op 't barre zeestrand neer

Van 't morgenrood tot d'avondstond;

Haar oog ziet wild en schichtig rond

Langs 't witte schuim van't woelend meir

En angstig roept haar bleeke mond

"Mijn vader, mijn vader, mijn vader!"