Mei-seringen

J. Van Durme

Meiseringen

doen mij zingen,

nu 'k stil loopend langs het koren

langs verhelde

groene velden,

voel me een lichtkind, nieuw geboren.

Nu te zwerven,

niets te derven,

luistrend naar de grijslawerken,

die daar hangen,

zingend zangen,

rustend op de sterke vlerken.

Lachen oogen

in den hoogen,

in ontroerend liefdegeven?

In de luchten

wolken vluchten,

die verglijden en verzweven.

Telkens weder

klinkt het teeder

leeuwrikslied in juichend zwieren,

kwam van snaren

zang gevaren,

speelden Goden op hun lieren?

Zonneluister,

windgefluister,

en mijn handen vol seringen,

o mijn voeten

dansen moeten,

en aanhoudend wille ik zingen.