Malheureuse minnedagh

J. Van Hoof

Desen soetsten somertyt

had ick een liefken opgevryt.

O godlic liefken!

Souden saemen wandelen,

souden minne handelen.

O godlic liefken!

Ooghskens waren, och so blaeu,

hertken swack beswyckt so gauw.

O godlic liefken!

Weet een bancxken onverlet,

als een bedje daer gheset.

O godlic liefken!

Dan een loosen lommerboom:

Light ons liefde daer niet vroom,

o godlic liefken?

Verder weet ick och so mooy

hutteken vol gheurich hooy...

O godlic liefken.

Als twee blomkes sy aen sy!

Ay die twee ooghskens so op my...

O godlic liefken!

"Weet een bancxken ghenen kant..."

Lei een kusjen in heur hand.

O godlic liefken!

Ging en, och, hoe clopt dat hert...

Liefken, wee ons, wat een smert:

't bancxken is henen.

Troost je, lief, ick weet een boom:

daer te minnen, wat een droom.

hy lag ontworteld.

Troost je, lief, ick weet so mooy

hutteken vol gheurich hooy,

o godlic liefken.

Quamen aen ons hutjen aen.

Lacie, 't lief moest huyswaerts

gaen met dulle kiespyn.