Onze lieve vrouw van smarten
J. Van Hoof
Waar gaat Gij heen, o Godgeliefde Vrouw,
in 't somber kleed van zoveel smart en rouw?
Ontroostbaar, bleek, van tranen dor geweend,
het moede oog in 't weedem als versteend.
Gij volgt uw Zoon, gedood op 't schandenkruis,
met moederzorg naar 't stille graftehuis.
Nu kinderloos, houdt Gij als erf en loon
van beider dood, de nagels en de kroon.
O Liefste Vrouw, wier smart de zee niet meet,
Gij kent de schuld van gans uw moederleed.
Schenk mij 't berouw, voor 't bloedig doodsverdriet
dat Gij in 't hart, uw Zoon op 't kruis vergiet.