Sonnet

J. Van Hoof

Gij meet met mij den moeden gang der uren,

Geliefde, mij zo ver... en zo nabij.

En wat die uren eind'loos kunnen duren,

De stilte... d'eenzaamheid, en Gij,

Die biddend op me wacht, verloren

in d'onmacht van uw bloedend trouwe hart.

Waarom werdt gij als Solvejg uitverkoren,

Als wie liefde minnen om haar smart.

Doorheen mijn tralie's: wat blauwe lucht

Een boot die loeit en een meeuw die vlucht...

O, verlangt naar verloren verten...

Hoe bloeit thans in mij die zoete pijn,

Dat wij gescheiden één toch zijn,

Mijn onsterflijk-geliefde... Berthe.